1980 Vernieuwing van de Belgische vreemdelingenwet

Na jarenlange debatten wordt in 1980 de vreemdelingenwet vernieuwd. Erkende vluchtelingen krijgen een beter statuut.
De erkenningsprocedure wordt wel langer en complexer. De regering werkt nauwelijks nog mee aan internationale hervestigingsprogramma’s. Er komen enkel vluchtelingen toe in België die hier op eigen houtje geraken.
De val van de Berlijnse Muur, globalisering en veel conflicten zorgen voor een enorme stijging van het aantal vluchtelingen.
Bij hervesting is de opvang aangepast aan het aantal vluchtelingen dat naar België komt, maar dit is niet langer het geval. Pas in 1985 start de regering met de uitbouw van structurele opvang.

Een jaar later opent het Klein Kasteeltje waar vluchtelingen meteen na aankomst worden opgevangen. Omdat de procedures lang aanslepen en steeds nieuwe vluchtelingen toekomen, kampt het Klein Kasteeltje al snel met plaatsgebrek. Daarom richt het Rode Kruis in opdracht van de regering enkele crisisopvangcentra op die vrij snel een permanent karakter krijgen.
In 1987 wordt een Belgische instelling in plaats van UNHCR (de VN-vluchtelingenorganisatie) verantwoordelijk voor de erkenningsprocedure: het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS). Afgewezen asielzoekers kunnen in beroep gaan bij de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen.

Ik was acteur, regisseur, schrijver en dichter in het Irak van Saddam Hoessein. In mijn werk nam ik het regime op de korrel. Tijdens de opvoering van een kritisch toneelstuk werd heel de cast en al het publiek gearresteerd. Ik kon ontsnappen, maar hoorde dat ik ter dood was veroordeeld.
Ik vluchtte naar Syrië en Libanon. Maar ook daar was ik niet veilig en via heel wat omzwervingen kwam ik in 1987 in België terecht. Ik werd in Brussel opgevangen in het ‘Klein Kasteeltje’. Het opvangcentrum was overbevolkt – ik sliep op een kamer met veertien bedden – en de leefomstandigheden waren erg slecht. De bewoners kwamen eind dat jaar zelfs in opstand tegen die situatie.
Ik vroeg erkenning aan als vluchteling, maar moest twee jaar wachten. Ik was erg bang om gerepatrieerd te worden, omdat ik in Irak geëxecuteerd zou worden. Met hulp van Amnesty International werd ik in 1989 eindelijk erkend als vluchteling.
Ik leerde Nederlands en studeerde theaterwetenschappen aan de Katholieke Universiteit in Leuven. Ik stampte het theatergezelschap Woestijn ‘93 uit de grond en maakte in samenwerking met Vluchtelingenwerk Vlaanderen en het rode kruis opvoeringen voor asielzoekers in opvangcentra.’

Hazim Kamaledin vluchtte in 1979 uit Irak.

Daniël Alliët

‘Solidariteit kweken is een werk van lange adem’

Naam: Daniël Alliët
Organisatie: Begijnhofkerk van Brussel

Ik kom uit een groot boerengezin. Mijn vader is gestorven toen ik acht maanden oud was en mijn moeder zwanger was van het negende kind. We hadden het thuis absoluut niet breed. Toch waren mijn ouders altijd solidair met mensen die het minder goed hadden.

Ik wilde priester worden en met armen werken, maar ik moest filosofie en theologie studeren aan de universiteit, omdat ik voorbestemd was om professor te worden aan het seminarie. Ik heb de studies succesvol afgerond en ben ook professor geworden. Na wat aandringen mocht ik toch mijn hart volgen en ging ik wonen en werken met kansarmen in Brussel. Zo kwam ik halverwege de jaren tachtig in de Begijnhofkerk, Oud-Molenbeek en het Klein Kasteeltje terecht. Hun wereld werd mijn dagelijkse werkelijkheid met de sans papiers als meest kwetsbare groep. Je zou hen ook moderne slaven kunnen noemen.

Na bijna dertig jaar wonen en werken met vluchtelingen en kansarmen heb ik bijna alles wel gezien: mensen die psychisch ziek worden, mensen die verslaafd raken of hun kinderen te koop aanbieden. Ik ben lang voorzitter geweest van het Brusselse jongerencentrum Chicago. Ik heb aan veel acties meegedaan, ook aan het kerkasiel.

De laatste jaren komen veel mensen in actie voor vluchtelingen. Ze zamelen kleren in of komen speelgoed brengen. Dat komt niet altijd voort uit goedheid. Vaak is het meer een kwestie van overvloed. De kasten moeten leeg worden gemaakt voor nieuwe spullen. Ik maak me geen illusies. Er zijn weinig mensen die echt willen delen. Die bereid zijn salaris in te leveren of een vakantie over te slaan.

De protestantse theologe Dorothée Sölle vergeleek het werk met kathedraalbouwers. Een kathedraalbouwer zag nooit een afgewerkte kathedraal. Zijn kinderen of kleinkinderen misschien wel. Solidariteit kweken, is een strijd van lange adem. Moedeloos worden helpt niet. Het is beter om eens goed te vloeken. Daar kan je kracht uit putten.’