1946 Oprichting IRO

D e twee wereldoorlogen dwingen veel Belgen hun vaderland te verlaten en op zoek te gaan naar veilige oorden. Sommige vluchtelingen kunnen snel terug naar huis. Andere vluchtelingen keren pas terug als de wapens eindelijk zwijgen. De Tweede Wereldoorlog laat Europa niet alleen in puin achter, maar veroorzaakt ook een enorm vluchtelingenprobleem. De vervolging van minderheden zoals joden, Roma en Sinti, en het algemene oorlogsgeweld drijft miljoenen mensen op de vlucht. In 1945 zijn zo’n tien miljoen mensen ontheemd. In de zomer van 1945 wordt een grootschalige repatriëringsoperatie opgezet. In enkele maanden tijd keren ongeveer acht miljoen mensen huiswaarts. Maar niet alle ontheemden willen of kunnen terug naar huis. Krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie die tijdens de oorlog gedwongen zijn tewerkgesteld in West-Europa riskeren represailles bij hun terugkeer.

Aanvankelijk sturen West-Europese overheden hen terug, maar het aanhoudende verzet én de verhalen over hun behandeling bij aankomst in de Sovjet-Unie zorgen ervoor dat deze gedwongen repatriëring wordt stopgezet. Veel Oost-Europeanen willen niet terug naar hun land, omdat het intussen bezet is door de Sovjet-Unie. Deze mensen verblijven in 1946 nog steeds in vluchtelingenkampen in Duitsland, Italië en Oostenrijk. De Verenigde Naties richten daarom de International Refugee Organization (IRO) op. Deze organisatie staat in voor de hervestiging van deze vluchtelingen. België is een van de 26 leden van de IRO en neemt 22 000 vluchtelingen op. De overheid stelt dit voor als een humanitaire operatie, maar de meeste vluchtelingen worden gerekruteerd als arbeidskracht en in de mijnsector tewerkgesteld. Veel landen willen vluchtelingen als werkkrachten inzetten. Daarom blijven heel wat zieken, ouderlingen en intellectuelen achter in de vluchtelingenkampen.