1956 Hongaarse Revolutie

Lajos is een van de 7000 Hongaarse vluchtelingen die België opvangt in de jaren 50. Na het neerslaan van de Hongaarse opstand tegen de Sovjet-Unie in 1956 slaan ongeveer 200 000 Hongaren op de vlucht. De meesten komen terecht in Oostenrijkse en Joegoslavische vluchtelingenkampen. Onder impuls van UNHCR en het Rode Kruis engageren 35 landen zich om Hongaarse vluchtelingen uit deze kampen op te vangen en te hervestigen. Midden in de Koude Oorlog vangen westerse landen de Hongaarse vluchtelingen graag op. Zo kunnen ze zich profileren tegen het communistische Oostblok.
België vangt een eerste groep (‘contingent’) Hongaarse vluchtelingen op in november 1956. Via een officieel hervestigingsprogramma komen 3000 Hongaren naar België. Ze krijgen integraal verblijfsrecht en arbeidsrecht. Hulp- organisaties helpen hen bij de zoektocht naar werk dat aansluit bij hun ervaring en kennis.

Bij de opvang van het tweede ‘contingent’ vluchtelingen in het voorjaar van 1957 spelen humanitaire overwegingen minder een rol.
Na de mijnramp in Marcinelle heeft België het moeilijk om arbeidskrachten voor de mijnen te vinden. De Belgische overheid selecteert Hongaarse vluchtelingen in Oostenrijkse en Joegoslavische kampen als arbeidskrachten.
De vluchtelingen zijn niet verplicht om in de mijnen te werken, maar moeten wel aan de slag in de industrie.
1500 Hongaarse vluchtelingen kunnen zich op deze manier hervestigen in België.
De derde – en laatste – groep vluchtelingen die in de herfst van 1957 via het officiële programma naar België kan doorreizen, wordt volledig geselecteerd als arbeidskracht. Zij moeten in de koolmijnen werken.
Naast deze ‘contingentvluchtelingen’ komen er ook Hongaren op officieuze wijze of via gezinshereniging naar België.

‘Voor ons vertrek naar België kregen we in het vluchtelingen-kamp een kostuum aangemeten. Het was een heel net kostuum, met een paar schoenen en een hemd erbij. Dit kregen we als afscheid van Oostenrijk, echt chapeau!’

Lajos Molnár vluchtte in 1957 uit Hongarije.

Na de Eerste Wereldoorlog gaat Hongarije gebukt onder een zware economische crisis. Nederlandse organisaties beginnen in 1920 met de opvang van Hongaarse kinderen in pleeggezinnen. België volgt dit voorbeeld in 1923 op initiatief van de bisschoppen. Hongaarse kinderen komen voor enkele maanden naar België waar ze in gastgezinnen kunnen aansterken. Het Rode Kruis legt speciale treinen in om Hongaarse kinderen van Boedapest naar België te brengen. Sommige kinderen komen verschillende keren of blijven langer in België. Zo’n 10 procent van deze kinderen blijft definitief in ons land.

Lajos (midden) met enkele vrienden in het stadspark van Turnhout. © Privéalbum Lajos Molenár.
Bekijk meer foto's

Toen ik bijna 14 was, nam ik met enkele schoolvrienden deel aan de opstand tegen de communistische dictatuur in Hongarije. Maar de Sovjet-Unie stuurde het leger en sloeg de opstand neer. Ik vluchtte samen met een vriend naar Oostenrijk. We legden te voet meer dan honderd kilometer af.
In Oostenrijk kwamen we terecht in een vluchtelingenkamp. Terugkeren naar Hongarije kon niet meer. Vanuit het kamp konden we doorreizen naar een opvangland, maar het was niet eenvoudig om reisdocumenten te krijgen. Uiteindelijk mochten we naar België vertrekken, waar de stiefvader van mijn vriend woonde. Hij was in een Joegoslavisch vluchtelingenkamp geselecteerd om in België te werken.
In België kreeg ik een studiebeurs voor drie jaar om een beroep te leren. De overheid wilde dat Hongaarse vluchtelingen snel in hun eigen onderhoud konden voorzien.

Ik ging naar de technische school in Sint- Niklaas en woonde er samen met andere Hongaarse vluchtelingen in een studentenhuis. Een jaar later verhuisden we naar Turnhout waar ik houtbewerking volgde op de vakschool.
Tijdens de weekends ging ik eten bij Vlaamse gezinnen, zodat ik het Nederlands kon oefenen en het land beter leerde kennen. In de zomervakantie kon ik bij Vlaamse families wonen.
Ik wilde nog een specialisatiejaar volgen in Turnhout, maar de andere Hongaarse studenten begonnen te werken. Daarom kon het studentenhuis niet openblijven. Ik kon terecht bij een Nederlands-Hongaars gezin in Turnhout. Het echtpaar had vijf kinderen, maar toch was er nog plaats voor mij. De vrouw was ook uit Hongarije afkomstig en was in de jaren 20 met de kindertrein naar Nederland gereisd en er blijven wonen.’

Lajos Molnár werd in 1941 geboren in Hongarije en ontvluchtte het land in 1957.

De Hongaarse vluchtelingencrisis maakt duidelijk dat een bredere interpretatie van de vluchtelingendefinitie nodig is. Volgens de Conventie van Genève hebben enkel personen die voor 1 augustus 1951 hun land zijn ontvlucht recht op het vluchtelingenstatuut. De Koude Oorlog-context zet veel westerse landen ertoe aan deze beperking te laten vallen. Het Protocol van New York maakt in 1967 officieel een einde aan de beperkingen in tijd en ruimte van de Conventie van Genève.

Ik zat in het zesde leerjaar toen de opstand tegen het communistische regime in Hongarije uitbrak. Onze leraar sprak over “revolutionairen”. Ik begreep niet goed wat er gebeurde.
Ik woonde met mijn familie in een klein stadje vlakbij de Oostenrijkse grens. We merkten weinig van de revolutie tot het nieuws kwam dat Rusland tanks had gestuurd naar Boedapest. Omdat we bang waren voor nieuw bloedvergieten sloegen we op de vlucht. We sloten ons aan bij andere Hongaarse vluchtelingen en trokken door het besneeuwde landschap richting Oostenrijk. Normaal werd de grens streng bewaakt, maar nu mochten we vrij doorwandelen én werden we opgevangen door de Oostenrijkse autoriteiten. Omdat twee ooms al in 1945 waren gevlucht naar België vroegen mijn ouders toestemming om ook daarheen te gaan. We konden met ons gezin per trein naar België reizen waar we werden opgevangen in een kazerne in Tongeren. Omdat we familie hadden in België, mochten we de opvangplaats snel verlaten. We konden gratis in een huis in Mechelen wonen. Toen we er binnen kwamen, bleken de keukenkasten vol eten te zitten. In elke slaapkamer lag er kledij klaar in onze kledingmaten! Mijn vader kon meteen aan de slag in een ijzerfabriek.’

Karoly Makay vluchtte in 1956 samen met zijn familie uit Hongarije.

Omdat we een familie met vijf kinderen waren, werden we onmiddellijk geholpen. Binnen een week hadden we een huis tot onze beschikking. De keuken was volledig ingericht en de kasten zaten vol met eten: kaas, salami en dingen die we niet gewend waren te eten in Hongarije zoals vanille- en chocoladepudding.
In de slaapkamers lagen kleren klaar in onze maten. Blijkbaar wist men dat er kinderen waren en kende men zelfs onze leeftijd! Het waren gedragen kleren, maar toch proper en deftig. Ook de slaapkamers waren volledig ingericht met lakens en dekbedden.
Allez, alles was erop en eraan.
Wij mochten daar tot het jaar 1960 – dus vanaf ’56 – blijven. Praktisch drie jaar en een half kregen we dat huis ter beschikking, zonder iets te moeten betalen.
Vanaf het moment dat we in dit huis woonden, liet de bakker in de wijk weten dat we elke dag een brood mochten komen halen. Volledig gratis. En dat heeft ook anderhalf tot twee jaar geduurd.’

Op elfjarige leeftijd vluchtte Karoly Makay met zijn familie uit Hongarije.

Hongaars voor beginners (Caritas, 1956) © Lieve De Vos

Vijf hulporganisaties leiden de opvang van Hongaarse vluchtelingen in goede banen: Rode Kruis, Internationaal Hulpbetoon van Caritas Catholica, Oecumenische organisatie van de curé Harts, Solidarité Libérale en Entraide Socialiste. Ze zijn verenigd in de koepelorganisatie CIRÉ (Centre d’Initiation pour Réfugiés Politiques) en elk verantwoordelijk voor één opvangcentrum in een kazerne. Ze helpen de vluchtelingen met hun verblijfsvergunning, gezinshereniging en het vinden van een job en huisvesting. Veel Belgen werken als vrijwilliger in de vluchtelingenopvang of proberen op een andere manier hun steentje bij te dragen.